· 

Het Grote Ongewisse

De toekomst van de mensheid is ongewis. Wel zo goed als zeker is: deze toekomst gaat een urbaan karakter krijgen. 'We' hebben dus alle belang bij een zo goed mogelijk ingerichte urbane ruimte. Wat dit 'zo goed mogelijk' inhoudt, daarover bestaan zeer uiteenlopende inzichten. STADTGEIST gaat op zoek naar ontwerpen en (botsende) ideeën voor betere stedelijke samenlevingen. De motivatie voor onze missie is voor een belangrijk deel ingegeven door de uitwerkingen van de pandemie op het leven in onze steden. Hieronder volgt - vanuit Berlijn - het persoonlijke relaas van Tom Bergrath, mede-bedenker van STADTGEIST 

Door Tom Bergrath


Beeld: Canva.com
Beeld: Canva.com

De afgelopen anderhalve eeuw is de wereld stukken urbaner geworden dan voorheen. Als dit proces zo door gaat, woont aan het einde van de 21e eeuw het overgrote deel van de mensheid in steden. Hoe kijkt de urbane mens van de toekomst dan terug op de tijd, waarin wij nú leven? Gaat die mens straks zeggen: "2020/21: dat waren de jaren dat de wereld van het 'oude normaal' in het 'nieuwe normaal' overging? Zal die mens beter kunnen uitleggen dan wij, wat het 'oude normaal' eigenlijk was? Gaat onze tijd de historici van de toekomst net zo veel werk opleveren als de beide wereldoorlogen dat doen voor de geschiedkundigen van nu? Het is natuurlijk nog veel te vroeg om daar iets zinnigs over te zeggen.

Hoe dat ook zij, wij mensen neigen ertoe, het belang van onze tijd te overschatten. Mensen, de stedelijke soort in het bijzonder, laten zich nu eenmaal liever meeslepen in het tumult van het nu, dan ontwikkelingen en gebeurtenissen te relativeren in het licht van de wereldgeschiedenis en de kracht van de aarde. We hebben al snel het gevoel dat onze eigen tijd bol staat van ingrijpende veranderingen in duizelingwekkende snelheid, dat alles wat nú gebeurt cruciaal is voor de verdere loop van de geschiedenis. Hoe mensen op andere momenten in de geschiedenis hun tijd beleefden, daarvan kunnen we ons nauwelijks een voorstelling van maken.  


Berlijn aan de vooravond van een nieuwe wereld. Foto: Peter Bijl
Berlijn aan de vooravond van een nieuwe wereld. Foto: Peter Bijl

Nu sinds ruim een jaar een pandemie het wereldnieuws beheerst, waart - behalve het virus - het diffuse, collectieve gevoel rond dat een nieuwe tijd aanbreekt. Een tijd met mogelijk nieuwe politieke systemen, machtsstructuren en economische verhoudingen. De een beziet de nabije toekomst met angst en beven, voor de ander kunnen de veranderingen niet radicaal genoeg zijn en weer een ander hoopt vooral dat alles weer 'normaal' wordt. Wat was dat trouwens ook alwaar, 'normaal'?     

Verandering, daar is sowieso geen ontkomen aan. Maar in welke richting? Komt ze plotseling of geleidelijk? Met grote rampspoed of juist met voorspoed? Staan ons revoluties te wachten of toch bezonnen hervormingen? Daar is geen pijl op te trekken. Waarover geen twijfel bestaat: de impact van maatschappelijke veranderingen in welke vorm, intensiteit en snelheid dan ook, zal het meest voelbaar zijn in onze grote steden. De aanblik van uitgestorven metropolen het afgelopen jaar heeft alvast een onuitwisbaar schrikbeeld opgeleverd: zo'n toekomst wil geen mens.

Welke kant gaat allemaal op? Het is een een vraag, die ook mij bezighoudt. Steeds meer. 'Opgesloten' in mijn eigen stad (Berlijn) heb ik de straffe maatregelen als gevolg van de pandemie lijdzaam willen ondergaan. Iets in de trant van Keep calm and carry on, heb ik mezelf vaak voorgehouden. De rest van de wereld was gek geworden, maar ik toch zeker niet? Toch moet ik nu, terugblikkend op een jaar van maatregelen en lockdowns, vaststellen: ik ben evengoed een slaaf van de tijdsgeest; helemaal niet de grote relativeerder en vrijdenker, die ik geloofde te zijn.  


Het vergezicht van de toekomst? Foto: Peter Bijl
Het vergezicht van de toekomst? Foto: Peter Bijl

In april 2020, temidden van Lockdown 1, schreef ik op wereldstadgidsen.com een Corona-bericht, in reactie op een bericht van STADTGEIST-collega Peter Bijl. In het bericht uitte ik mijn zorgen over de gevolgen van het virus voor de plaatselijke cultuurbranche. Al met al was het een optimistisch bericht. "De stad geeft me altijd inspiratie", schreef ik. Dat waren weken met toch ook veel positief nieuws. Een plotselinge golf van solidariteit trok over onze steden. Mensen die elkaar hielpen en toezongen, de berichten over de terugkeer van de natuur in onze steden, geen overvliegende vliegtuigen, de verbeterde luchtkwaliteit... Met name het beeld van pasgeboren visjes in de kanalen van Venetië bleef op mijn netvlies. Nu besef ik: ik was volledig in de ban van het moment. Nu zou ik dat nooit meer zo opschrijven. De tijdsgeest is er niet meer naar. Hoe zal alles er over een paar maanden uitzien? 

Met het verstrijken van de Corona-maanden is mijn liefde en fascinatie voor steden sterk aangeslagen. Ik vraag me steeds vaker af of ik de stad niet wil verlaten; een gedachte die een jaar geleden nooit in me op zou zijn gekomen. Steden - en Berlijn al helemaal - stonden voor mij altijd voor vrijheid: je talenten kunnen ontplooien, ontdekken, plezier, diversiteit, leren... 

Nu, na een jaar coronamaatregelen, ervaar ik de stad vooral als beklemmend. Ik zie niet meer de veel mogelijkheden ervan, maar alleen nog de beperkingen. Urenlang kon ik ooit - niet zo lang geleden nog - door de stad struinen, op zoek naar sporen van de geschiedenis. Nu voel ik die historie bijna niet meer, zo dominant en bedrukkend is het heden geworden. Gaat de liefde voor de stad nog terugkeren? Of moet ik me voorbereiden op een langdurig verblijf op het platteland? In de verwachting dat het daar nu beter toeven is, in een hutje op de hei.  


Bedrukte tijdsgeest in Berlijn. Foto: Peter Bijl
Bedrukte tijdsgeest in Berlijn. Foto: Peter Bijl

Op steeds meer momenten laat ik me meeslepen door een gevoel van pessimisme. Zijn we aanbeland in een voorstadium van een onwenselijke toekomst. Het geluid van de steeds vaker cirkelende politie-helicopters stelt met zeker niet gerust. Ik meen steeds meer armoede waar te nemen - de groeiende ongelijkheid is sowieso nergens zo zichtbaar als in de grote stad. Het straatvuil hoopt zich op, de ratten wagen zich steeds vaker uit hun hol. Het cultuurleven ligt plat, voor algemene vorming moeten velen het hebben van Netflix en YouTube. Wat nog rest is boodschappen doen en stompzinnig consumeren in webwinkels, die boomen als nooit tevoren. Dat dan weer wel.   

Ga ik puur af op mijn onderbuik, dan voltooid de totale dystopie zich zienderogen om ons heen. Een systeem met tyrannieke machtsstructuren en diepe kloven tussen bevolkingsgroepen, waarin grote conglomeraten (Amazon?) bepalen hoe we ons leven inrichten. Het is een soort moderne, menselijke oerangst; niet voor niets is de lijst met boeken en films over dystopieën héél lang. In veel van die verhalen heeft de dystopische samenleving een extreem urban karakter. In de film Elysium (2013) is de wereld een reusachtige krottenwijk geworden. De arme, uitgebuite arbeiders leven in dit verdorde, ellendige stedelijke landschap, in het gareel gehouden door agressieve politie-robots. De elites hebben voor zichzelf een ruimteparadijs gebouwd, buiten de dampkring. Dat elite-paradijs lijkt overigens verdacht veel op de ruimtekolonies, die Amazons' baas Jeff Bezos voor ons bedacht heeft.   




Goed dat het lichaam meer is dan een onderbuik. Ga ik puur af op mijn hart, dan zie ik in mijn Berlijnse buurt (in stadsdeel Kreuzberg) bewoners die gewapend met bezem, hark en schoffel het afval van anderen opruimen en verschraalde groenstroken weer tot leven wekken. Ook lees en hoor ik steeds weer vruchtbare ideeën over hoe we onze steden kunnen vergroenen, de balans tussen natuur en mens in de wereld kunnen herstellen en florerende urbane ruimtes kunnen maken, zonder de planeet nog meer uit te putten en te vervuilen. Waarom zouden utopieën niet realiseerbaar zijn, wanneer dystopieën dat wel zijn? Het hart zegt: blijf geloven in een betere samenleving!  


Berlijn in corona-tijden: Tussen hoop en vrees. Foto's: Peter Bijl
Berlijn in corona-tijden: Tussen hoop en vrees. Foto's: Peter Bijl


Dan is er, behalve de onderbuik en het hart, ook nog het hoofd. Dat zegt dat de wereld niet zwart of wit is. Het verstand volgend zal de wereld nooit een totale utopie zijn, maar zeker ook geen totale dystopie. Beide zijn onbereikbaar. Bovendien, wat de ene ideologie voor utopisch houdt, kan voor de ander een duister toekomstbeeld zijn. Omgekeerd kan het beloofde land voor de een, een terreurstaat voor de ander zijn.     

In iedere door de mens gemaakte samenleving zullen dystopische en utopische elementen naast elkaar blijven bestaan. Machtsmisbruik, corruptie en scheve welvaartsverdeling zijn nooit helemaal uit te bannen; daarvoor zijn deze destructieve krachten te diep verankerd in de mensenmaatschappij. Al helemaal in de grootstedelijke centra. Toch kunnen de constructieve krachten in onze steden, mits gebundeld, de schadelijke elementen in toom houden.  

Steden veranderen voortdurend in het grote spanningsveld tussen dystopie en utopie, tussen destructie en constructie, tussen afbraak en vernieuwing, tussen vooruitgang en achteruitgang. Dat veld, dat is de ruimte waarin STADTGEIST op zoek gaat naar verhalen, soms met een blik terug, soms met een blik vooruit. De opdracht is helder: het vinden, beschrijven en verbinden van die constructieve ideeën en krachten die nodig zijn voor méér kwaliteit van leven voor zoveel mensen als mogelijk in onze steden. Zodat de urbane ruimte ook in de toekomst een brandpunt van menselijke creativiteit blijft.